Religie is vloeibaar geworden –
WIE VRAGEN BLIJFT STELLEN, WORDT LASTIG VOOR EEN SYSTEEM DAT ZICHZELF ALS ANTWOORD BESCHOUWT.

YO bestaat niet
VENUS GENETRIX — DE VROUW ALS OORSPRONG

De Romeinen maakten van Venus een godin.
De staat maakte van de man een burger.
Maar iedere burger kwam eerst uit een vrouw.
WETTEN ZIJN GEMAAKT VOOR DE BURGER.
MAAR WIE SCHREEF DE VROUW EN DE MOEDER IN DE WET? Niemand
EEN VOORHEFFING IS GEEN GRONDSLAG.
De loonbelasting maakt een private AOV namelijk niet automatisch tot loon uit een arbeidsovereenkomst en ook niet tot een wettelijke WAO/WAZ/WIA-uitkering. Het Uitvoeringsbesluit loonbelasting bevat juist aparte categorieën: enerzijds bepaalde periodieke uitkeringen via verzekeraars, anderzijds wettelijke uitkeringen zoals AOW, WAO, WAZ en WIA.
Periodiek betekende ook een periode in eindtijd- een woord twee betekenissen die op hetzelfde moment door elkaar werden gehaald.
En er zit nog een heel interessant historisch punt in. In de versie van artikel 11 UBLB rond 2004/2005 stond bij de private categorie nog:
“termijnen van lijfrenten … verstrekt door een lichaam dat het levensverzekeringbedrijf uitoefent”
terwijl WAO/WAZ enzovoort apart onder onderdeel c stonden.
De Lex-Van Oven van 1956 ging over de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw binnen het burgerlijk recht. Zij maakte de gehuwde vrouw juridisch zelfstandiger in vermogensrechtelijke en contractuele zin. Maar daarmee werd niet ineens in één bepaling vastgelegd:
“De gehuwde vrouw is zelfstandig bestuurder van haar eigen lichaam en geest.” Die formulering staat er niet in.
Dat onderscheid is belangrijk. Handelingsbekwaamheid betekent dat iemand zelfstandig rechtshandelingen kan verrichten: overeenkomsten sluiten, beschikken over vermogen, procederen enzovoort.
Lichamelijke en geestelijke zelfbeschikking gaat over een ander rechtsgebied: persoonlijke autonomie, lichamelijke integriteit, medische toestemming, voortplanting en bescherming tegen dwang.
Die rechten zijn in Nederland later en verspreid over verschillende rechtsbronnen ontwikkeld. Artikel 11 van de Grondwet beschermt bijvoorbeeld de onaantastbaarheid van het lichaam. Artikel 10 beschermt de persoonlijke levenssfeer. In het gezondheidsrecht geldt het uitgangspunt van informed consent. Daarnaast beschermen artikelen 3 en 8 EVRM respectievelijk tegen onmenselijke behandeling en het privé- en gezinsleven.
Maar ook daar staat niet één allesomvattende zin: “de vrouw is eigenaar/bestuurder van haar lichaam en geest.”
En daar gaat het dus mis!
Vermogensschade
Kan een verzekeraar de gevolgen van fouten in zijn eigen polisadministratie, automatisering, fusies, portefeuilleoverdrachten en prolongatieprocessen afwentelen op de verzekerde?
Wie beschermt de vrouw wanneer achter één cassatieberoep niet alleen één juridische fout schuilgaat, maar een keten van tientallen jaren van polisadministratie, belastingheffing, fusies, overnames en inkomensverlies — terwijl de hoogste rechter die onderliggende rechtsvragen niet inhoudelijk bespreekt?

De juridische fictie modelleert de werkelijkheid, maar is niet de werkelijkheid zelf.
Het recht werkt voortdurend met categorieën en constructies: werknemer, ondernemer, verzekerde, arbeidsongeschikte, loon, periodieke uitkering, rechtspersoon, fiscale bron. Die begrippen maken een ingewikkelde werkelijkheid bestuurbaar. Maar zodra het model belangrijker wordt dan de feitelijke mens erachter, kan er iets misgaan.

Geen enkele man kwam ter wereld zonder het lichaam van een vrouwenlijk!
Miss en gebruik haar dan niet.
Nederland kreeg aan het begin van de negentiende eeuw voor het eerst een werkelijk nationaal belastingstelsel. Onder leiding van Isaac Jan Alexander Gogel werd in 1805 een algemeen belastingplan aangenomen, dat vanaf 1806 in het hele land werd ingevoerd. Daarmee werd belastingheffing steeds meer een taak van een centrale Nederlandse staat.
Na de Napoleontische tijd ontstond in 1814/1815 het Koninkrijk der Nederlanden. In de negentiende eeuw groeide vervolgens de parlementaire rechtsstaat, met de Grondwet van 1848 als belangrijk keerpunt.
Een heel andere ontwikkeling vond plaats tijdens de Duitse bezetting. Op 14 december 1940 kwam het Besluit op de Loonbelasting 1940 tot stand. Het trad op 1 januari 1941 in werking. Daarmee werd belasting rechtstreeks bij de bron geheven: de werkgever hield belasting in voordat het loon aan de werknemer werd uitbetaald.
Dat systeem verdween na de bevrijding niet.
Op 16 december 1964 stelde de Nederlandse wetgever de Wet op de loonbelasting 1964 vast. De wet zegt in haar eigen titel dat zij het Besluit op de Loonbelasting 1940 vervangt. In de aanhef staat bovendien uitdrukkelijk dat regering, Raad van State en Staten-Generaal betrokken waren bij het tot stand komen van de nieuwe regeling.
Daarmee ontstond een opmerkelijke historische continuïteit:
1806 — een nationaal Nederlands belastingstelsel.
1940/1941 — loonbelasting als bronheffing tijdens de Duitse bezetting.
1964/1965 — Nederland neemt het beginsel over in eigen democratische wetgeving.
En dan prins Bernhard.
Bernhard werd in Duitsland geboren en was vóór zijn huwelijk met Juliana daadwerkelijk lid van de NSDAP. Daarover bestaat inmiddels geen serieuze historische onzekerheid meer: in zijn persoonlijke archief werd zijn originele NSDAP-lidmaatschapskaart aangetroffen. Bernhard zelf had dat lidmaatschap tijdens zijn leven steeds ontkend.
Dat maakt vragen over zijn Duitse verleden terecht.
Maar er moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee feiten.
Feit 1: Bernhard was vóór de oorlog NSDAP-lid.
Feit 2: onder de Duitse bezetting werd in Nederland het Besluit op de Loonbelasting 1940 ingevoerd.
Uit die twee feiten volgt niet dat Bernhard betrokken was bij de invoering ervan. Daarvoor is afzonderlijk historisch bewijs nodig. Tot dusver is geen betrouwbare bron bekend waaruit blijkt dat Bernhard het Nederlandse loonbelastingstelsel heeft ontworpen, beïnvloed of laten invoeren.
De historisch interessantere vraag is daarom misschien niet:
“Heeft Bernhard de loonbelasting ingevoerd?”
maar:
“Hoe kon een fiscale techniek die tijdens de Duitse bezetting werd ingevoerd, na 1945 worden behouden, in 1964 democratisch worden gelegitimeerd en vervolgens steeds verder worden uitgebreid naar betalingen die helemaal geen gewoon werknemersloon zijn?” Vrouwen waren handelingsonbekwaam in die tijd en in 1964 konden gehuwde vrouwen geen eigen polis afsluiten. Ze werd meeverzekerd via een polis.
Daar begint een heel andere — en juridisch veel belangrijkere — geschiedenis.
De Wet op de loonbelasting 1964 bevestigt letterlijk dat zij het Besluit op de Loonbelasting 1940 verving.



In Nederland is er geen enkele Kunstenares die zo op hetzelfde level opereert.
Zelfkennis management

Interessant is het ethische vraagstuk: beschermt het juridische en verzekeringssysteem de mens, of beschermt het vooral zijn eigen regels, codes, contracten en instituties?”

Dank zei de bank – crisis 2009
Een goed verhaal is nooit ver weg.
Een vrouwelijke rechtspersoon bestaat niet.
De vrouw bestaat.
Haar lichaam bestaat.
Haar arbeid bestaat.
Haar onderneming bestaat.
Haar inkomen bestaat.
Haar schade bestaat.
Maar de rechtspersoon heeft geen lichaam.
Geen baarmoeder.
Geen longen.
Geen leeftijd.
Geen zwangerschap.
Geen beroepsziekte.
Geen vrouwelijk economisch leven.
Het recht maakt onderscheid tussen de natuurlijke persoon en de rechtspersoon. Maar belasting wordt dus wel op natuurlijk personen ingevorderd?
En precies daar ontstaat een fascinerende vraag:
Wat gebeurt er wanneer een vrouw haar economische leven moet laten vertalen door systemen die zelf geen geslacht, lichaam of levensloop kennen?
De verzekeraar is een rechtspersoon.
De bank is een rechtspersoon.
De werkgever kan een rechtspersoon zijn.
De inhoudingsplichte private schade verzekeraar werd een rechtspersoon.
De pensioenuitvoerder is een rechtspersoon.
De Staat is een publiekrechtelijke rechtspersoon.
Maar degene over wie al die systemen rekenen, beslissen, coderen en beschikken, is een mens.
Een vrouw.
Daarom gaat dit verhaal niet alleen over geld.
Het gaat over de afstand tussen de juridische fictie en het levende lichaam.
Misschien is dát de kern:
De rechtspersoon heeft geen geslacht.
Maar zijn regels kunnen wel degelijk verschillend uitwerken op mannen en vrouwen.
Personenschade = alle materiële en immateriële schade die voortvloeit uit aantasting van een persoon, waaronder schade aan gezondheid, arbeidsvermogen, inkomen, carrière en levenskwaliteit.

EEN VROUW — ZIEL EN LICHAAM — IS EEN ECONOMISCHE ACTOR.
NIET ALLEEN EEN ECONOMISCH SUBJECT OF OBJECT Dear Mister President
EEN VROUW ZONDER GELD IS EEN VROUW ZONDER MACHT.
Maar financiële onafhankelijkheid gaat over méér dan geld.
Het gaat over zeggenschap.
Over de vrijheid om te werken, te stoppen, opnieuw te beginnen en je eigen keuzes te maken. Het gaat over haar intellectueel eigendomsrecht.

Het gereserveerde wetboek 9
Over het recht om niet financieel afhankelijk te worden van een partner, een verzekeraar, een tussenpersoon of een systeem.
Boek 9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat niet; deze plek is gereserveerd voor intellectueel eigendomsrecht, maar is er door verregaande internationale verwevenheid nooit gekomen. [1, 2]
Status van Boek 9 BW
- Reservering: Oorspronkelijk bedacht door Meijers in 1947 voor het recht omtrent de “scheppende mens” (intellectueel eigendom). [1, 2]
- Afwezigheid: Het boek is nooit ingevoerd omdat regels over auteurs-, merken- en octrooirecht al diep verankerd zijn in internationale verdragen en Europese richtlijnen. [1, 2]
- Discussie: Juridische experts en hoogleraren discussiëren regelmatig of een beperkte vermogensrechtelijke codificatie alsnog wenselijk is. [1, 2]
Alternatieven met “9”
- Boek 2, Titel 9 BW: Dit gaat over de jaarrekening en het bestuursverslag van rechtspersonen zoals de B.V. en N.V.
- Artikel 9 Sr: Dit artikel uit het Wetboek van Strafrecht somt de hoofdstraffen en taakstraffen op. [1, 2]

Mijn keramiek gaat over dat vrouwenlichaam. Het meisje met de parel is moeder geworden.



GEPRINT INTELLECTUEEL EIGENDOM IN KLEI
Wat ooit begon als een idee, krijgt hier een lichaam.
Een gedachte wordt vorm.
Een vorm wordt object.
Een object wordt drager van betekenis.
Geprint in klei wordt intellectueel eigendom tastbaar, zichtbaar en kwetsbaar.
De digitale vorm wordt materie.
De code krijgt gewicht.
Het ontwerp krijgt een huid.
Maar juist daar ontstaat ook de vraag:
Van wie is het idee wanneer het een lichaam krijgt?
Van degene die het bedacht?
Van degene die het tekende?
Van degene die het digitaal modelleerde?
Van degene die het printte?
Van degene die het opnieuw beschilderde, samenvoegde en betekenis gaf?
Mijn werk bevindt zich precies op dat grensvlak.
Tussen techniek en handwerk.
Tussen reproductie en uniciteit.
Tussen intellectueel eigendom en artistieke toe-eigening.
Tussen digitaal bestand en menselijke hand.
Intellectueel eigendom krijgt hier een lichaam: geprint, tastbaar en kwetsbaar in klei.
En daarna begint pas mijn werk.

DE KLEEDKAMER BESTOND.
DE VROUWEN OOK.
Een vennootschap onder firma heeft geen lichaam.
Ze kan niet ziek worden.
Ze kan geen longschade oplopen.
Ze kan niet bevallen.
Ze kan niet arbeidsongeschikt raken.
Ze kan niet ouder worden.
Maar haar vennoten wel.
De Kleedkamer was een onderneming onder één naam.
Er werd gehandeld.
Er werd omzet gemaakt.
Er werden contracten gesloten.
Er werden premies betaald.
Er werden belastingen betaald.
En achter die onderneming stonden natuurlijke personen.
Vrouwen.
Bij een VOF verdwijnen die vrouwen juridisch niet achter een zelfstandige rechtspersoon. Integendeel: voor de schulden van de onderneming kunnen de vennoten persoonlijk worden aangesproken. Hoe zit dan bij de hypotheek?
Dat maakt de tegenstelling des te groter.
Voor aansprakelijkheid ben je volledig persoon.
Voor administratie word je gemakkelijk een nummer.
Voor belasting word je een categorie.
Voor verzekering word je een polis.
Voor schade word je een berekening.
Maar degene die het economische risico werkelijk droeg, had een lichaam, een beroep, een geschiedenis en een naam.
Daarom is de kernvraag niet alleen:
“Wat was De Kleedkamer?”
De belangrijkere vraag is:
“Waar bleef de vrouwelijke vennoot toen haar onderneming, haar inkomen, haar verzekering en haar schade door verschillende systemen werden verwerkt?”
Een VOF heeft geen lichaam.
Maar haar aansprakelijkheid landt bij mensen van vlees en bloed.

Het lichaam dat liefheeft.
Het lichaam dat werkt.
Het lichaam dat schade kan oplopen.
Het lichaam waaraan anderen vervolgens bedragen, voorwaarden, codes en economische waarden verbinden.
LIEFDE IS GEEN PENSIOENPLAN.
HAAR LICHAAM IS GEEN FINANCIEEL PRODUCT.
EN EEN VROUW IS ZEKER GEEN ADMINISTRATIEVE CODE.
Wanneer een vrouw haar beroep, inkomen of opgebouwde oudedagsvoorziening verliest, verliest zij niet alleen geld. Zij kan ook haar autonomie, onderhandelingsmacht en vrijheid over haar eigen toekomst verliezen.

Daarom staan deze objecten naast elkaar:
Het hart — wat van haarzelf is.
Het gezicht — de mens die gezien moet worden.
De kruiken — het economische systeem dat haar leven probeert te bevatten.
GEEF EEN VROUW NIET ALLEEN RECHTEN OP PAPIER.
GEEF HAAR OOK ECONOMISCHE ZEGGENSCHAP OVER HAAR EIGEN LEVEN.
MIJN LICHAAM.
MIJN WERK.
MIJN GELD.
MIJN TOEKOMST.
MIJN MACHT.

MIJN MOEDER KON MIJ NIET IN AANDELEN VERDELEN.
HET SYSTEEM DEED HET TOCH —
IN ARBEID, INKOMEN, VERMOGEN, SCHADE EN BELASTING.
Personenschade = alle materiële en immateriële schade die voortvloeit uit aantasting van een persoon, waaronder schade aan gezondheid, arbeidsvermogen, inkomen, carrière en levenskwaliteit werd afgekocht door de Bond van Verzekeraars.

CED Mens is onderdeel van CED, een organisatie die verzekeraars en andere opdrachtgevers ondersteunt bij schadebehandeling. De tak CED Mens richt zich specifiek op schade waarbij een persoon centraal staat, zoals letselschade, personenschade en complexe dossiers rond gezondheid, herstel en maatschappelijke gevolgen.
Hun rol bestaat uit het onderzoeken van de persoonlijke situatie, het in kaart brengen van schade en beperkingen, contact met betrokken partijen en het adviseren over schadeafwikkeling. Dat dossier bleef gesloten en geheim
Belangrijk dus: CED werkt in opdracht van een verzekeraar of andere opdrachtgever. Het is dus blijkbaar niet automatisch een onafhankelijke belangenbehartiger van de benadeelde persoon.
Juristen, verzekeraars, belastinginstanties en uiteindelijk rechters of de Raad van State beslissen niet over mij een persoon als mens, maar zij beoordelen mijn situatie aan de hand van juridische categorieën en vermogensrechtelijke regels.
Daardoor moet een lichamelijke en maatschappelijke werkelijkheid worden teruggebracht tot vragen als: welk recht bestaat er, welke schadepost is juridisch erkend, welke polisvoorwaarde geldt, welke fiscale kwalificatie wordt toegepast en welk bedrag kan worden toegewezen.
Dat is precies de beperking die ik benoem: de mens is groter dan de vermogensrechtelijke codificatie van zijn of haar schade.

Een verlies van beroep, gezondheid, maatschappelijke positie, zelfstandigheid en toekomstperspectief kan in een dossier worden opgesplitst in afzonderlijke juridische posten. Wat niet binnen zo’n erkende categorie valt, dreigt vervolgens buiten beeld te raken.

CED is in 1971 opgericht door een groot aantal Nederlandse verzekeraars, om het schadeproces te uniformeren en te professionaliseren.
Ontstaan vanuit onze opdrachtgevers zit klantgerichtheid en de co-creatie van claims- en expertisediensten in ons DNA.
Als vertrouwde partners streven we gezamenlijk naar absolute klanttevredenheid, innovatie, kostenbeheersing en efficiëntie.

HET ETHISCHE VRAAGSTUK
Wie programmeert de regels?
Wie bepaalt de richting?
Wie wordt beschermd wanneer belangen botsen?
De mens met schade?
De verzekeraar?
De fiscus?
De juridische constructie?
Of de administratieve keten?
Een systeem dat “Mens” heet, is nog niet automatisch mensgericht.
De echte vraag is:
Wie draagt het risico — en wie krijgt de bescherming?
Don’t Tell me – Show me Raad van State


De moeder houdt zeggenschap op fe aandelen in de dochter.
SARAH’S BURGERSHART
Een burgerschapsoefening voor alle politieke mannen en vrouwen in Nederland
Dit kunstwerk is geen object om alleen naar te kijken.
Het is een oefening.
Een oefening in burgerschap.
In verantwoordelijkheid.
In gelijkwaardigheid.
In het vermogen om de ander als mens te blijven zien.
Sarah staat symbool voor iedere burger die op enig moment afhankelijk wordt van wetten, regels, verzekeringen, instituties, werkgevers, uitvoerders, artsen, juristen of bestuurders.
Maar Sarah stelt ook een vraag aan ons allemaal:
Wat doe jij wanneer de regels denken te kloppen, maar de mens erin verdwijnt?
Burgerschap betekent meer dan belasting betalen, stemmen of je aan de wet houden.
Burgerschap betekent ook:
de ander niet reduceren tot een nummer; of patiënt,
vragen stellen wanneer een systeem onrechtvaardig uitpakt;
macht niet verwarren met gelijk hebben;
verantwoordelijkheid nemen voor de gevolgen van besluiten;
en beseffen dat vrijheid alleen kan bestaan wanneer de vrijheid en waardigheid van een ander eveneens worden beschermd.
DE OEFENING
Ga voor het kunstwerk staan.
Kijk eerst zonder iets te zeggen.
Stel jezelf daarna vijf vragen:
1. Wie zie ik?
Zie ik een vrouw?
Een man?
Een patiënt?
Een verzekerde?
Een belastingbetaler?
Een dossier?
Of zie ik eerst een mens?
2. Welke macht heb ik zelf?
Als burger.
Als professional.
Als bestuurder.
Als ambtenaar.
Als verzekeraar.
Als arts.
Als jurist.
Als buur.
Als ouder.
Als partner.
3. Wat gebeurt er wanneer iedereen alleen zijn eigen taak uitvoert?
Wie bewaakt dan het geheel?
Wie ziet de gevolgen voor één mensenleven?
4. Wanneer zou ik zelf zeggen: tot hier en niet verder?
5. Wat vraagt goed burgerschap vandaag van mij?
Niet morgen.
Vandaag.
SARAH’S BURGERSHART
Sarah’s Burgershart bestaat niet uit steen, klei, regels of formulieren.
Het bestaat uit iets veel kwetsbaarders:
het vermogen om verantwoordelijkheid te voelen voor iemand die niet jijzelf is.
Daar begint democratie.
Daar begint rechtsbescherming.
Daar begint gelijkwaardigheid.
Daar begint burgerschap.
Man of vrouw.
Jong of oud.
Burger of bestuurder.
Iedereen draagt een stukje van dezelfde samenleving.

Maurick Schellekens:
Hij beheert mijn lichaam niet.
Maar zijn organisatie beheert wél een systeem waarin mijn lichaam wordt vertaald in risico, arbeidsvermogen, polisvoorwaarden, codes, uitkeringen en fiscale gegevens.
Daarom is mijn vraag niet:
“Wie bezit mijn lichaam?”
Mijn vraag is:
Wie draagt bestuurlijke verantwoordelijkheid voor wat er economisch met mijn lichaam is gedaan?
Mijn gezondheid is van mij.
Mijn geest is van mij.
Mijn economische identiteit is van mij.
Maar wanneer een verzekeraar jarenlang bepaalt hoe mijn arbeidsvermogen wordt gewaardeerd, welke uitkering wordt betaald, welke gegevens worden geregistreerd en welke gevolgen daar financieel uit voortvloeien, ontstaat een enorme institutionele macht over mijn economische bestaan.
En precies die macht moet controleerbaar, uitlegbaar en aanspreekbaar zijn.
Daarom eindigt deze oefening met één vraag:
ALS DIT MIJN LICHAAM,
MIJN INKOMEN,
MIJN KIND,
MIJN MOEDER,
MIJN PARTNER
OF MIJN LEVEN WAS —
ZOU IK DAN NOG STEEDS VINDEN
DAT HET SYSTEEM GOED WERKT?
SARAH’S BURGERSHART
Kijk. Denk. Voel. Vraag. Handel.



































