Faro – Moeder de Vrouw als belangrijkste immaterieel cultureel erfgoed
Wie is anders de baas over mijn lichaam en geest? Door mijn erfgoedpraktijk neem ik mijn autonomie terug en maak ik van mijn lichaam en geest een levend archief. Volgens Faro is dat mijn recht: om mijn eigen erfgoed te definiëren en door te geven.”
Het kabinet heeft te veel macht
De rechtsstaat wankelt, wanneer macht zich ophoopt in de handen van een paar machtige ambtenaren.
Het kabinet regeert, maar wie controleert?
Artikel 1 klinkt op papier, maar in praktijk worden vrouwen en of erfgenamen niet wettelijk erkend, worden moeders tot bijvangst gemaakt, dochters tot voetnoten in dossiers.
Te veel macht is gevaarlijk. Niet alleen voor de democratie, maar ook voor het erfgoed van mensen die onzichtbaar zijn gemaakt.
Faro leert ons: erfgoed is van iedereen.
Dus ook van de vrouw, die eeuwenlang werd gezien als melkkoe, aftrekpost, of stil icoon.
Het kabinet mag sturen, maar niet bezitten. Niet het erfgoed, niet de lichamen, niet de verhalen van burgers.
Wanneer macht te veel wordt, moet kunst de spiegel zijn. Moeder de Vrouw heft de vaas op, en zegt: jullie macht is niet absoluut.
Slavernij: verleden – heden
Want mijn voortbestaan, is geen gift van de staat, maar een recht dat al eeuwen lang bestond.
Bron van Abbe Museum
Volgens Faro is erfgoed niet alleen van staten of instituten, maar van iedereen die zich ermee verbonden voelt.
Op basis van sexe
Bestuur der van haar lichaam en geest
Ik voel mij verbonden met de vrouwen die bijvangst waren. Zij waren de aftrekposten van de economie, de opwindsleutel van het gezin, de melkkoe van de staat. Hun arbeid werd verbruikt, hun geslacht en namen vergeten.
Ik geloof ❌❌❌
Zij werden melkmeisje, meisje met de parel, icoon zonder rechtspersoonlijkheid.
Mauritshuis en Montancourt Middelburg Kom uit de bubbel – Regenboog groep Op eigen kracht Het meisje met de parel is moeder geworden en wil nú wettelijk erkend worden in de grondwet en burgerlijk wetboek als eigenaar en bestuurder van haar eigen lichaam- Einde aan Juridische Fictie binnen de rechtstaat – wetboek 9
Beeld, maar geen stem. Via octrooi 1919 en de wetten erna werd hun vindingrijkheid toegeëigend, hun arbeid gepatenteerd, hun bijdrage onzichtbaar gemaakt.
Cultureel erfgoed leeft niet alleen in musea of archieven voort, maar ook in de structuren waarin we wonen, de verhalen die we doorgeven en de rituelen die ons verbinden met het verleden. Een van die weinig benoemde erfgoedstructuren in onze samenleving is het moederschap. Erfgoed is een levend proces dat zich afspeelt in de overdracht van taal, zorg, gewoontes en tradities; van culturele identiteit. In familieverband zorgen vaak moeders voor deze overdracht van generatie op generatie, en dus voor een cultureel fundament.
Het moederschap is een oeroude, stille kracht die leeft in zorgende handen, in blikken vol wijsheid, in speeltuinen en keukens waar generaties samenkomen. Ook in tijden van oorlog, armoede, migratie of ziekte houden vrouwen de draad van cultuur en hoop vast. Als inwoner van Zeeland heb ik meteen het beeld voor ogen van de watersnoodramp van 1953. Toen het water veel tastbaar erfgoed verwoestte, waren het de moeders die met hun kinderen op de arm, de taal, het welzijn, de verzorging, de gebeden en tradities in veiligheid brachten. Een mooi voorbeeld is het borduren van merklappen. Moeders leerden hun dochters met het maken van een merklap letters te borduren zodat zij later hun eigen linnenuitzet konden voorzien van een merkje. Een traditie die nog steeds bestaat, al zijn het nu vaak borduurlappen voor speciale gelegenheden.
Meerstemmigheid, zoals Faro voorstaat, begint met de vrouwen die nooit werden gehoord. Zij-Wij zijn het fundament – niet de voetnoot.
Door open te staan voor de moeder als cultuurdrager, erkennen we dat culturele continuïteit niet alleen afhangt van tastbare objecten, maar ook van mensen en hun verhalen.
De drie codes van cultureel erfgoed waar ik voor pleit, zijn:
Persoonlijke verhalen en tradities binnen families erkennen als cultureel erfgoed Erfgoedinstellingen en beleidsmakers moeten meer ruimte maken voor de verhalen die van moeder op kind worden doorgegeven.
Oral history-projecten over autonomie, moederschap en zorg stimuleren We moeten luisteren naar de stemmen van vrouwen en moeders die erfgoed niet via gebouwen, maar via kennis en ervaring hebben overgedragen.
Een inclusievere interpretatie van geschiedenis ontwikkelen Want waarom worden koninklijke vrouwen via hun bloedlijn wel erkend als erfgoedbewakers, maar gewone moeders niet? Geschiedschrijving moet zich niet alleen richten op machtsstructuren, maar ook op zorgstructuren en sociale overerving.
Misschien is dat wel de grootste les van Faro: Niet alleen erfgoed beschermen, maar ook de mensen die het dragen – vooral zij die dat stil en onzichtbaar doen.
Faro zegt: erfgoed is ook van hen.
Hun verhaal is niet de voetnoot, maar de kern.
Ik roep Moeder de Vrouw op als erfgoedpraktijk: niet als slachtoffer, maar als sleutel.
Niet als melkkoe, maar als maker. Niet als aftrekpost, maar als bron van waarde.
Faro geeft mij de taal om te zeggen: dit erfgoed leeft, want ik draag het, en ik geef het door.
Ons Belastingstelsel is niet gebouwd op sexe in euro maar in guldens !
Eurostelsel lijkt modern, maar draagt nog het oude “DNA” van 1964.
Conclusie
De Wet loonbelasting 1964 is dus niet alleen in guldens geschreven, maar ook in de geest van de kostwinner (man) – afhankelijke (vrouw).
Toen de euro kwam, is alleen de munt omgezet, niet de fundamenten. Daardoor zit ons huidige stelsel nog steeds vol sporen van guldenbedragen én seksespecifieke aannames.
Ik leg de positie van de vrouw als zelfstandig bestuurder van haar eigen lichaam en arbeid voor.
1. Grondwet – Artikel 1
Tekst (sinds 1983):
“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”
Dit artikel waarborgt formele gelijkheidsrechten. In de praktijk is dit pas laat toegevoegd: vóór 1983 stond “geslacht” er niet expliciet in.
De kern: vrouwen hebben grondwettelijk recht op gelijke behandeling, maar in de belastingpraktijk (ontstaan in de jaren ’60) bleef de kostwinner-man impliciet het uitgangspunt.
➡️ Mijn punt: er is een kloof tussen grondwettelijke gelijkheid en de fiscale/verzekeringspraktijk die vaak nog rol- en seksegebonden is ingericht.
2. Burgerlijk Wetboek – Handelingsbekwaamheid
Tot 1956 was een gehuwde vrouw handelingsonbekwaam: zij stond onder het gezag van haar echtgenoot (zij mocht zonder toestemming van de man geen contracten afsluiten of vermogen beheren).
Sinds de Wet van 14 juni 1956 zijn vrouwen handelingsbekwaam: juridisch gelijk aan mannen. In theorie kon de vrouw sindsdien zelfstandig optreden in recht en handel.
Maar:
Het oude kostwinnersdenken bleef doorwerken in belastingwetten en sociale regelingen. Voorbeeld: de “aanrechtsubsidie” (de algemene heffingskorting overdraagbaar aan de partner) is een directe echo van de afhankelijke huisvrouw.
➡️ Mijn punt: formeel handelingsbekwaam, maar in de praktijk van belasting en verzekeringen bleef de vrouw nog lang meeverzekerde en afhankelijk van willekeur zo blijkt anno 2025
3. Wet op de Loonbelasting 1964
Deze wet regelde de inhouding van loonbelasting op arbeidsinkomen. Ontstaan in een tijd waarin het gezin (met man als kostwinner) het uitgangspunt was. Kernpunten die dit weerspiegelen: De loonbelasting ging uit van de werknemer/kostwinner (feitelijk vaak de man). De fiscale positie van de vrouw was secundair: ze gold als partner of “meeverzekerde”, niet als primair belastingplichtige.
Bij gehuwden was de man vaak degene die als belastingplichtige werd gezien, ook voor inkomsten van de vrouw. Toen de euro in 2002 werd ingevoerd, zijn bedragen uit de Wet LB 1964 simpel omgerekend, maar de systematiek (met partnerkortingen en afhankelijkheidsconstructies) bleef grotendeels hetzelfde.
➡️ Mijn punt: de Wet LB 1964 is gebouwd in gulden- én kostwinnerslogica, niet in euro- en gelijkheidslogica.
4. Samengebracht
Grondwet art. 1 zegt: gelijke behandeling, ook naar geslacht. BW sinds 1956: vrouw formeel handelingsbekwaam. Loonbelasting 1964: gebouwd op een stelsel waarin de man kostwinner en belastingplichtige is, de vrouw afhankelijk.
⚖️ De spanning die ik benoem:
De vrouw draagt wél volle aansprakelijkheid (bijv. in een VOF of in schulden). Maar zij wordt niet erkend als zelfstandig bestuurder van haar arbeid en lichaam binnen de logica van het fiscale stelsel. Daardoor ontstaat het gevoel van een “doofpot”: de risico’s zijn voor de vrouw, de rechten bleven (formeel of impliciet) bij de man of bij de staat.
Stil kinderen moeder heeft belastingdag ( Delpher)
👉 de officiële lezing dat Nederlandse vrouwen sinds 1956 (handelingsbekwaam) en sinds 1983 (grondwettelijk gelijk) volwaardig zelfstandig bestuurder zijn, maar in werkelijkheid het fiscale en institutionele systeem nog altijd is gebouwd op een kostwinner-man / afhankelijke-vrouw structuur. Omdat het woord vrouw nog moeder, de vrouw niet voorkomt in de grondwet nog burgerlijk wetboek als zelfstandig bestuurder van haar ei- gen -lichaam met volledige rechtspersoonlijkheid en rechtsbevoegdheid
“De grootste leugen ooit is dat onze markt en ons belastingstelsel gelijkheid en eerlijke concurrentie garanderen. De Mededingingswet belooft mededinging op gelijke voet, maar de vrouw concurreert nog altijd met een handicap die teruggaat op de Wet Loonbelasting 1964 en het oude kostwinner-model.”
Lupus Veritas Lus
Heden en doorwerking
Moeders dragen vaak de dubbele last: werk en zorg. In de VOF, als kostwinner of ondernemer, zijn vrouwen volledig aansprakelijk, maar erkenning en bescherming zijn niet altijd gelijkwaardig. Er zijn toeslagen en heffingskortingen, maar die zijn nog steeds partner/kostwinner-gericht en niet individueel.
💡 Kernidee
De figuur van de vrouw en moeder staat precies in het spanningsveld tussen:
erfenis van patriarchale wetgeving (kostwinner-man als norm), grondwettelijke gelijkheid (op papier sinds 1983), en praktische ongelijkheid (belasting, verzekeringen, arbeid).