De zeven vinkjes van de Bruidssluier

VOORWOORD — DE ZEVEN VINKJES

Er bestaat geen mannelijk alleenrecht op verstand.
Het brein heeft geen geslacht.
Maar wetgeving, handel en bestuur zijn eeuwenlang wél geschreven alsof dat zo was.

In Nederland kun je op papier als vrouw bestaan en toch uit beeld raken.

De handelsgeest van vrouwen gaat niet over geld.
Ze gaat over vrijheid.
Want zodra de staat, het systeem of de administratie
jouw leven volledig gaat sturen,
verdwijnt jouw recht om zelf bestuurder te blijven.

ACHTER DE SLUIER
echtgenote → beperkte zelfstandige handelingsmacht → man had en heeft blijkbaar nog steeds een dominante juridische positie binnen het huwelijk.

Dat oude huwelijksrecht was gebaseerd op het idee dat binnen het huwelijk één gezagscentrum moest bestaan; historisch kreeg de man die positie. 

VOF rechtsvorm VOC

Ze trouwde met een man.
Maar juridisch trouwde ze ook met een systeem.

Voor de wet werd haar huwelijk niet alleen liefde,
maar een verandering van positie.

De sluier bedekte niet haar gezicht.
De wet bedekte haar zelfstandigheid.

Tot 1957.

En dan kun je de lijn doortrekken naar het heden met de vraag:

De wettelijke bruidssluier is afgeschaft.
Maar zijn alle administratieve systemen inmiddels ook geleerd om een vrouw volledig zelfstandig te zien?

WELKOM BIJ HET PATRIARCHAAT

Van Koning-Koopman naar mens, nummer, code en sleutel

De handelsgeest van koning Willem I is een sleutel tot het begrijpen van de economische ontwikkeling van de moderne Nederlandse staat. Niet voor niets kreeg hij de bijnaam Koning-Koopman. Na 1815 wilde hij Nederland economisch herstellen door handel, industrie, infrastructuur, kapitaal en koloniale productie met elkaar te verbinden.

Hij dacht in ketens:

kapitaal → onderneming → productie → vervoer → handel → koloniale goederen → opbrengsten → nationale rijkdom.

In 1824 richtte Willem I de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) op. Zij moest handel en scheepvaart bevorderen, vooral met Nederlands-Indië. Willem I investeerde zelf. Tegelijkertijd was deze economische ontwikkeling nauw verbonden met het koloniale systeem en met machtsverhoudingen waarin de inwoners van de koloniën niet als gelijkwaardige handelspartners konden optreden. (Canon van Nederland)

Nederland leerde zo steeds verfijnder goederen, geld, ondernemingen, risico’s en vermogen organiseren. De rechtspositie van vrouwen ontwikkelde zich veel langzamer.

En dan verschijnt 1919.

In Nederland kreeg de Invaliditeitswet in deze periode praktisch betekenis binnen het sociale verzekeringsstelsel. De wet stamde uit 1913; werknemers waren verplicht verzekerd tegen invaliditeit en voor zelfstandigen bestond een vrijwillige verzekering. Opvallend is dat in 1919 ook de leeftijd die binnen deze regeling als invaliditeit gold van 70 naar 65 jaar werd verlaagd. Daarmee zien we iets essentieels: invaliditeit was niet alleen een medische toestand, maar óók een door de wet gemaakte juridische verzekeringscategorie. (Centraal Bureau voor de Statistiek)

In Italië gebeurde in hetzelfde jaar iets heel anders, maar voor de positie van vrouwen minstens zo fundamenteels. Op 17 juli 1919 werd wet nr. 1176 over de capacità giuridica della donna aangenomen. Daarmee werden belangrijke beperkingen van de juridische en economische handelingsvrijheid van vrouwen opgeheven. Het was de wettelijke doorbraak waardoor vrouwen zoals Lidia Poët eindelijk toegang konden krijgen tot beroepen waarvan zij eerder uitsluitend vanwege hun geslacht waren uitgesloten. (Senato)

En op 7 oktober 1919 diende de Nederlandse uitvinder Hugo Alexander Koch zijn aanvraag in voor het later als Nederlands octrooi 10.700 bekende ontwerp: een machine waarmee gewone tekst via roterende systemen in geheimschrift kon worden omgezet en weer terug. Kochs techniek behoort tot de geschiedenis van de rotorcodeermachine en raakte later verbonden met Arthur Scherbius en de ontwikkeling van Enigma. (Wikipedia)

Dat maakt 1919 voor dit kunstonderzoek een uitzonderlijk symbolisch kruispunt.

DE VROUW KRIJGT MEER RECHT OP HAAR EIGEN SLEUTEL.
DE STAAT DEFINIEERT INVALIDITEIT IN EEN VERZEKERINGSSYSTEEM.
DE MACHINE KRIJGT EEN SLEUTEL WAARMEE INFORMATIE KAN WORDEN GECODEERD.

Historisch zijn deze gebeurtenissen niet causaal met elkaar verbonden. Artistiek leggen ze echter één fundamentele vraag bloot:

WIE HEEFT DE SLEUTEL?

Een code kan een mens beschermen.
Een code kan informatie verbergen.
Een code kan iemand identificeren.
Maar een verkeerde code kan de werkelijkheid van een mens ook achter een administratieve categorie laten verdwijnen.

Daar ontstaat de rode draad:

naam → persoon → beroep → lichaam → verzekering → nummer → code → registratie → sleutel → systeem.

En daar ligt ook de opdracht aan een moderne democratische rechtsstaat — van regering en ministeries tot Tweede Kamer, Eerste Kamer en het constitutionele staatsbestel:

Niet alleen vragen wat een systeem met een persoon kan registreren, maar ook:

wie bepaalt de betekenis van die registratie?
Wie bezit de sleutel tot correctie?
En wie beschermt de mens wanneer de code niet langer overeenkomt met de werkelijkheid?

Van de Koning-Koopman naar de digitale overheid loopt zo een lange geschiedenis van ordenen, classificeren en administreren.

Mijn vraag draait die geschiedenis om:

DE STAAT HEEFT EEUWEN GELEERD HOE HIJ WAARDE MOET REGISTREREN.
MAAR ZIET HIJ OOK DE VROUW ACHTER DE CODE?

IK MAAK NU KERAMISCHE KUNST ALS DE ROUTEKAART VAN EEN VROUW DIE IN HET SYSTEEM VERDWEEN

Het ultieme geheim

DE SPERMA-EMMER

De man leverde het zaad.
De vrouw droeg het lichaam.
Baarde het kind.
Droeg de zorg.
Droeg het risico.
Droeg de ziekte.
Droeg het inkomensverlies.

En toch werd de mannelijke lijn eeuwenlang de maatstaf voor naam, bezit, arbeid, verzekering en recht.

De sperma-emmer werd geregistreerd.
Het vrouwenlichaam mocht de rekening betalen.

En ook vandaag de dag moet de vrouw het nog te nog steeds ontgelden wanneer systemen haar lichaam, arbeid en economische zelfstandigheid niet als vertrekpunt nemen.

Het lichaam van een meisje met volgnummer 6703
Aangegeven bij de Burgerlijke Stand
Het meisje met de parel als meisje en vrouw van…
Napoleon maakte Vrouwen Handelingsonbekwaam 1838

VOLG DE VROUW 6703
Een route door BSN, RSIN, polis, belasting en identiteit.

Beurs Amsterdam

En als centrale zin:

Ik volg niet alleen het geld.
Ik volg mijn identiteit door de administratie.

Welkom bij artikel 1

MIJN LICHAAM EN GEEST
Mijn lichaam en geest zijn geen machine.
Zij zijn geen fout in het systeem.
Zij zijn geen dossier, diagnose of code.
Zij voelen, herinneren, reageren en weten.
Anders bedraad is niet minder waard.
Mijn lichaam spreekt.
Mijn geest vertaalt.
Mijn kunst maakt zichtbaar wat niet altijd wordt begrepen.


Boek 1 BW — personen- en familierecht — trad al op 1 januari 1970 in werking.
Boek 3 BW — het algemene vermogensrecht — trad samen met onder meer de Boeken 5 en 6 op 1 januari 1992 in werking als onderdeel van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.
Bij die grote hercodificatie werden vooral bepalingen uit het oude Burgerlijk Wetboek van 1838 vervangen en opnieuw systematisch verdeeld over de nieuwe boeken. 

Welkom in Zeeland Middelburg

OOIT WAS EEN SPREKENDE VROUW EEN PROBLEEM VOOR DE WET.
NU IS EEN ZWIJGENDE VROUW EEN PROBLEEM VOOR HET PARLEMENT & DE GESCHIEDENIS.

De kroon – Mijn werkzaamheden tijdens het wandkleed Slavernij/ Heden

DE ZELFSTANDIGE VERDWIJNT UIT DE RUBRIEK

Ik sloot de verzekering af als zelfstandige.
Ik betaalde de premie als particulier.
Nationale-Nederlanden was mijn verzekeraar, niet mijn werkgever.

Maar zodra de uitkering door de fiscale machine gaat, verschijnt zij onder:
“INKOMSTEN UIT DIENSTBETREKKING.”

Mijn polis bestaat nog.
Mijn BSN bestaat nog.
Nationale-Nederlanden bestaat nog.
Het geld bestaat nog.

Maar waar staat nog: ZELFSTANDIGE HANDELAAR?

Dat is precies de administratieve verdwijntruc die je met deze twee beelden heel krachtig zichtbaar kunt maken.

Zo werkt de Euro Papa

Afhankelijk van ict

Fouten in registraties verspreiden zich door gegevensuitwisseling als een olievlek over (overheids)organisaties, correctie van de gevolgen echter niet. Vaak is ook niet te overzien welke gevolgen een verkeerde registratie heeft bij andere overheden door wijzigingen staatsblad 237.

In 2010 wijzigde de overheid via Staatsblad 2010, 237 de uitvoering van de inhoudingsplicht rond bepaalde periodieke verzekeringsuitkeringen. (Officiële bekendmakingen⁠)

Mijn vraag is wat daarna met de mens gebeurde
toen deze wettelijke kwalificaties
door ICT-systemen, codes en gegevensketens gingen reizen.

DE WET WIJZIGT ÉÉN REGEL.
DE COMPUTER VERMENIGVULDIGT HAAR.

Met dank aan Jan Kees de Jager en Jan Peter Balkenende

✅Je hebt een naam.
✅Een burgerservicenummer.
✅Een beroep.
✅Een onderneming.
✅Een particuliere verzekering.
✅Een long & hart ziektegeschiedenis.
✅En een vrouwelijke lichaam.

Zeven vinkjes.

Alles lijkt aanwezig.

Maar zodra systemen gaan classificeren, koppelen, doorsturen en automatiseren, kan er iets merkwaardigs gebeuren: de mens achter al die gegevens wordt steeds minder zichtbaar.

Een polis wordt een inkomstenstroom.
Een uitkering wordt een fiscale categorie.
Een verzekerde wordt een nummer.
Een zelfstandige vrouw en kostwinnaar wordt een registratie.
Een vrouw wordt een geheim dossier.

En precies daar begint dit verhaal.

Niet bij één fout.
Niet bij één verzekeraar.
Niet bij één minister.
Niet bij één besluit.

Maar bij de vraag wat er gebeurt wanneer zeven afzonderlijke vinkjes samen tóch niet meer leiden naar dezelfde persoon.

De zeven vinkjes zijn compleet.
Maar de vrouw ontbreekt.

Dit onderzoek gaat daarom niet alleen over geld, belasting, verzekeringen of Staatsblad 2010, 237.

Het gaat over iets fundamentelers:

wie ziet de mens nog wanneer alle systemen zeggen dat alles klopt?

DE BANKENCRISIS, STAATSSTEUN EN DE ONZICHTBARE POLISHOUDER

Staatsblad 2010, 237 — volg het geld, maar volg óók de vrouw

2008: bankencrisis.
De Nederlandse Staat grijpt in met miljarden aan steun voor het financiële stelsel.

2010: midden in de nasleep van die crisis verandert ook de fiscale behandeling van bepaalde verzekeringsuitkeringen.

Staatsblad 2010, 237.

Vanaf dat moment wordt de verzekeraar voor bepaalde periodieke uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit of ongeval aangewezen als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting.

En daar begint mijn onderzoek.

Want achter zo’n administratieve maatregel zit geen abstracte “inkomensstroom”.

Daar zit een mens.

In mijn geval:

een vrouwelijke ondernemer,
een zelfstandig afgesloten particuliere polis,
een verzekerd beroep,
betaalde premies,
een ziekte,
een schade-uitkering
en vervolgens een fiscale gegevensketen.

De grote vraag is daarom niet alleen:

Hoeveel staatssteun kregen banken en financiële instellingen en hoe werd die terugbetaald?

De vraag is óók:

Welke nieuwe geldstromen ontstonden in dezelfde periode door fiscale inhoudingen op particuliere verzekeringsuitkeringen?

En vooral:

wat gebeurde administratief met de polishouder?

Want wanneer een particuliere verzekerde in de loonheffingsketen verschijnt met een inkomstenverhouding, codes en fiscale classificaties, kan haar oorspronkelijke positie als zelfstandig verzekerde steeds verder uit beeld raken.

Niet omdat haar lichaam verdwijnt.

Niet omdat haar polis verdwijnt.

Niet omdat haar ziekte verdwijnt.

Maar omdat de administratie een andere werkelijkheid van haar maakt.

Daarom wil ik de volledige keten reconstrueren:

POLISHOUDER
→ VERZEKERAAR
→ VOLMACHTKANTOOR
→ BSN
→ INKOMSTENVERHOUDING
→ LOONHEFFING
→ BELASTINGDIENST
→ ZVW
→ STAATSKAS

Het RSIN is ontstaan uit de modernisering van het Nederlandse Handelsregister en de wens om bedrijven en organisaties met één vast nummer herkenbaar te maken voor verschillende overheidsadministraties.

De wettelijke basis ligt in de Handelsregisterwet 2007, die vanaf 2008 het Handelsregister tot een basisregistratie maakte.

Daarbij werd het nummer dat de Belastingdienst al gebruikte voor niet-natuurlijke personen en samenwerkingsverbanden gekoppeld aan het Handelsregister. Het RSIN werd daarmee het vaste identificatienummer voor onder andere BV’s, NV’s, stichtingen, verenigingen én samenwerkingsverbanden zoals een VOF. 

De Belastingdienst omschrijft het tegenwoordig heel duidelijk: het RSIN vervangt het vroegere fiscale nummer voor niet-natuurlijke personen. Een eenmanszaak wordt aan het BSN van de ondernemer gekoppeld; een onderneming met een andere rechtsvorm krijgt een RSIN. Vanuit BSN of RSIN bepaalt de Belastingdienst vervolgens andere fiscale nummers, zoals het btw- en loonheffingennummer. 

Welk nummer werd op welk moment de primaire sleutel waarmee het systeem jou herkende?

En dan komt de vraag die in geen financieel jaarverslag mag ontbreken:

WAAR BLEEF DE VROUW?

Ik beweer niet dat Staatsblad 2010, 237 is gemaakt om vrouwelijke polishouders te laten verdwijnen of om staatssteun terug te verdienen.

Ik vraag om bewijsbaar te maken wat er wél gebeurde.

Welke bedragen gingen door deze keten?

Welke identificatie werd gebruikt?

Welke codes werden toegekend?

Welke verzekeraars werden inhoudingsplichtig?

Welke gegevens werden aan het BSN gekoppeld?

En hoeveel zelfstandig verzekerde vrouwen verdwenen administratief achter een fiscale inkomstenverhouding die niets vertelde over hun oorspronkelijke beroep, ondernemerschap en particuliere verzekering?

De bankencrisis kun je onderzoeken door het geld te volgen.

De rechtsstaat onderzoek je door óók de mens achter het geld te volgen.

STAATSBLAD 237

FOLLOW THE MONEY.
FOLLOW THE DATA.
FOLLOW THE WOMAN.

Waarom werd de wet gewijzigd?

De officiële toelichting bij Staatsblad 2010, 237 is opvallend duidelijk: de wijziging werd vooral gedaan vanwege uitvoeringsproblemen bij verzekeraars, niet omdat in 2010 ineens werd besloten dat particuliere AOV-uitkeringen “loon” waren.

De voorgeschiedenis was deze. Al in 2008 was besloten dat vanaf 1 januari 2010 loonbelasting en premies zouden worden ingehouden op bepaalde periodieke uitkeringen wegens invaliditeit, ziekte of ongeval. Vervolgens bleek dat een categorie verzekeraars dit in 2010 niet kon uitvoeren. De toelichting noemt hen letterlijk “inkomensverzekeraars” en legt meteen uit dat dit juridisch schadeverzekeraars in de zin van artikel 1:1 Wft zijn.

Daarom was de inhoudingsplicht eind 2009 eerst een jaar uitgesteld. 

Toen ontstond echter het tegenovergestelde probleem: levensverzekeraars hadden hun computersystemen al ingericht op loonheffing. Uit overleg met het Verbond van Verzekeraars bleek volgens het besluit dat zij die systemen niet eenvoudig voor één jaar konden terugdraaien. De regering koos daarom voor een reparatie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010. 

“Hoe kon een wijziging die volgens de officiële toelichting primair werd ingegeven door de uitvoerbaarheid en administratieve systemen van verzekeraars ertoe leiden dat mijn particuliere AOV-uitkering vanaf 2011 in de loonheffingsketen terechtkwam, en welke juridische kwalificatie werd daarbij precies aan míjn polis en uitkering gegeven?”

Waarom werd deze schade uitkering als lijfrente code 21 gecodeerd?

Bron: Centraal aanspreekpunt Pensioenen

Schade-uitkering” is niet de fiscale rubriek waaronder een periodiek uitkerende particuliere AOV in de aangifte wordt verwerkt. Periodiek had in mijn zaak te maken met eind looptijd polis.

De Belastingdienst zegt tegenwoordig expliciet dat een uitkering uit een AOV in de aangifte wordt opgegeven als “periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid”.

Bij ondernemers vermeldt de Belastingdienst bovendien dat zulke periodieke AOV-uitkeringen fiscaal als “inkomsten uit vroegere dienstbetrekking” worden aangegeven, dus niet als winst uit onderneming. 

De leugens binnen het wespennest

Dat creëert precies het spanningsveld dat ik aanwijs. De civielrechtelijke bron kan een particuliere schadeverzekering zijn, terwijl de fiscale aangiftesystematiek niet vraagt: “Is dit een schade-uitkering uit een particuliere schadeverzekering?” Heeft de onderneemster haar zaak nog?

De betaling wordt in plaats daarvan ingepast in fiscale fictieve categorieën voor periodieke inkomensvoorzieningen en uitkeringen.

HET NUCLEAIRE SYSTEEM

Eerst werd arbeid verdeeld.
Daarna zorg.
Daarna inkomen.
Daarna verzekering.
Daarna ziekte.
Daarna identiteit.

De man verscheen als werknemer.
De vrouw als echtgenote, moeder, verzorger of afhankelijke.

Maar wat gebeurt er met de vrouw die níét in dat model past?

De vrouw die handelaar is.
De vrouw die kostwinner is.
De vrouw die zelf haar verzekering afsluit.
De vrouw die ziek wordt door haar beroep.
De vrouw zonder werkgever die haar verhaal bevestigt.

Dan blijkt zelfstandigheid ineens een administratief probleem.

Niet omdat zij niet bestaat.

Maar omdat systemen haar alleen herkennen in vooraf gemaakte vakjes:

werknemer — werkgever — pensioen — lijfrente — uitkering.

En wanneer haar werkelijkheid daar niet in past, wordt niet het systeem aangepast.

Dan wordt de vrouw aangepast aan het systeem.

Geketend en handelingsonbekwaam

Waar in de keten is nog zichtbaar dat de oorspronkelijke rechtsverhouding géén dienstbetrekking, pensioen of lijfrente was, maar een door een zelfstandige afgesloten particuliere schadeverzekering?”

Stof tot nadenken

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.